Home  > Kennis  > Netwerken  > Jeugdgezondheidszorg  > Verslag > Bijeenkomsten 2010

Bijeenkomsten Kennisnetwerk jeugdgezondheidszorg 2010

Verwijsindex

29 maart 2010

De definitieve versie van de in 2009 gezamenlijk opgestelde notitie 'Pedagogische visie van de JGZ' is beschikbaar. Er is vastgesteld wat er verder zal worden ondernomen met dit product. Er werd adhesie gevraagd en er werd verzocht tot verspreiding onder leden bij relevante beroepsverenigingen en brancheorganisaties.
Vervolgens kregen aanwezigen een overzicht van antwoorden van deelnemers van de kenniskring over gebruik, ervaringen, knelpunten en verbetersuggesties met betrekking tot de verwijsindex. Tuguy Mintes namens de regio Groningen en Marjo Seldenrijk namens de regio Midden-Holland vertelden over de aanpak, werkwijze en ervaringen met de verwijsindex in hun regio's. Nicolette Damen volgde hierop met de geschiedenis en uitleg van de landelijke verwijsindex. Inhoudelijke en meer technische vragen wisselden elkaar af, van wat per organisatie de criteria voor een melding zijn, hoe je met ouders moet omgaan bij een match tot de koppeling met het elektronisch kinddossier en de mogelijkheid voor gezinsmatches in de toekomst.

Rapporten en presentaties:

Implementatie en monitoring van richtlijnen

14 juni 2010

Deze bijeenkomst ging in vervolg op de bijeenkomst op 30 november 2009 weer over de implementatie van JGZ richtlijnen. Trudy Dunnink, adviseur bij het RIVM Centrum Jeugdgezondheid gaf een inleiding over regie, de richtlijncyclus en -producten. Margot Fleuren van TNO lichtte een plan voor een ondersteuningsstructuur bij invoering en monitoring van richtlijnen toe. In twee discussiegroepen gingen de deelnemers vervolgens uiteen om te discussiëren over een eerste voorstel voor activiteiten en structuren voor invoering en monitoring. Belangrijke discussiepunten waren:

  • Aanstelling van een implementatiecoördinator of deze taak beleggen bij bestaande medewerkers.
  • Het belang van scholing en de opzet daarvan: flexibel, landelijk, e-learning? Ook een module over richtlijnen in opleidingen is van belang.
  • De hoeveelheid richtlijnen, de hoeveelheid werk in het algemeen, het budget en wat dat betekent voor implementatie: behoefte aan een overzicht van tijd en kosten per richtlijn.
  • Het belang van monitoring en de voorkeur voor een landelijk monitoringsinstrument (bijvoorbeeld via de basisdataset) die per organisatie wordt gebruikt maar waardoor je de eigen organisatie ook kunt vergelijken met andere.
  • Het belang van onderzoek naar het gebruik van een richtlijn.
  • Verspreiding in de organisatie: dit vraagt om draagvlak creëren, richtlijnen makkelijk digitaal en op een handige kaart kunnen vinden, randvoorwaarden (financiering, ) en proefimplementatie in enkele organisaties.

In de plenaire terugkoppeling werd naar prioriteiten gevraagd voor het Centrum jeugdgezondheid om de implementatie makkelijker te maken. Hier kwamen ondere andere uit:

  • helderheid geven over financiering;
  • een jaarplanning bieden en het faciliteren van de implementatiecoördinator met onder meer een powerpointpresentatie voor implementatie in de eigen organisatietraining;
  • deskundigheidsbevordering (ook E-learning);
  • een implementatieplan.

Rapporten en presentaties:

Risicotaxatie

6 september 2010

Een bijeenkomst waarin de deelnemers na twee presentaties via stellingen met elkaar in discussie gingen over risicotaxatie in de JGZ. Betty Bakker van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) vertelde in de eerste presentatie over het gebruik van vragenlijsten als signaleringsinstrument in de jeugdgezondheid. Hier heeft zij onderzoek naar gedaan en een voorlopig resultaat was dat er 43 verschillende vragenlijsten worden gebruikt in JGZ-organisaties, variërend van 0-9 vragenlijsten per organisatie.

Monique van der Veen van het CJG Rijnmond volgde met een presentatie over risicosignalering in Rotterdam, waar zij een onderzoek naar verricht dat nog loopt (zodra de resultaten zijn gepubliceerd, zal dit document hieronder bij de documenten worden geplaatst). Vervolgens gingen de deelnemers in drie groepen uiteen om de verdediging van een van de drie volgende stellingen voor te bereiden:

  1. De ouder,
  2. De vragenlijst of
  3. De professional is leidend voor de definitie van een risicokind.

Iedere groep verdedigde haar stelling met verve! In de reacties op elkaar kwam onder meer naar voren dat het gesprek mét ouders (en dus niet boven hen gaan staan) belangrijk is, dat het een duidelijke vragenlijst moet zijn waaruit eenduidig blijkt of dit wel of geen risicokind is, en dat de professional de inschatting maakt o.b.v. de ouders en de vragenlijst. Vervolgens werden negen stellingen voorgelegd. Een stelling waar iedereen het mee eens was: “Het tijdsbestek tussen afname vragenlijst en bespreken ervan is aan een bepaalde maximale tijd gebonden”.

Een stelling waar iedereen het mee oneens was: “Een ingevulde vragenlijst levert de juiste informatie voor inzage in de gezondheidstoestand van het kind”. Een stelling waar de deelnemers het meest over verdeeld waren was: “De JGZ moet zich niet richten op ‘het risicokind’ maar op het voorkomen van risicokinderen”. Dit gold ook voor de stelling “Risicokinderen bestaan niet”. In reactie op deze stelling wilde een van de subgroepen liever spreken over aandachtskinderen omdat je het beter positief kunt labelen en het meer om het proces gaat dan een definitie. Een andere subgroep reageerde op de stelling “Ingevulde vragenlijsten dienen altijd met ouders/ jeugdigen besproken te worden”. Zij vonden dat een vragenlijst altijd ondersteunend moet zijn aan het contact met ouders, het gaat niet alleen om afnemen en turven.

Een derde subgroep reageerde op de stelling “Landelijk moet één soort vragenlijst gebruikt worden als methodische structurering van een consult” waarover men overigens ook verdeeld was. Deze subgroep vond dat er één soort vragenlijst moet komen niet voor methodische structurering (want gespreksmethode is er al) maar voor inhoudelijke structurering (dus voor het soort vragen dat je stelt). Een gezamenlijke conclusie van de deelnemers was ook dat het goed is als er één gevalideerde vragenlijst komt.

Rapporten en presentaties:

Pubers en de JGZ

29 november 2010

De bijeenkomst start met een inventarisatie van wat er al gebeurt voor pubers in de JGZ. Daar komt een kort rijtje reguliere activiteiten uit (onder andere PGO, verzuimpreventie, zorgteams) en een lange lijst uit van verschillende vormen van lokaal maatwerk op het gebied van voorlichting, cursussen, bijeenkomsten en projecten. Marjolein Bijvoets (Hogeschool Inholland) presenteert vervolgens de resultaten van verschillende onderzoeken die zij deed onder pubers. Haar adviezen naar aanleiding van haar bevindingen zijn: werk samen met scholen en het jongerenwerk; zorg voor inbedding van goed aanbod in het lokaal beleid; richt je qua onderwerpen op seksualiteit, drugs en niet lekker in je vel zitten; richt je op het contact met ouders en denk vanuit de vraag i.p.v. het aanbod.

Hierna reflecteert Onno Sijperda (Arts en consultant bij Reality Provider) vanuit eigen ervaringen en visie op de praktijk van het werken met pubers in de JGZ. In de plenaire discussie die daarop volgt gaat het over de stelling van Onno dat de JGZ zich in tijden van krapte alleen moet richten op verzuimpreventie, het CJG en projecten gericht op het collectief. Hier is niet iedereen het mee eens. Wel ziet iedereen in dat er keuzes gemaakt moeten worden, zeker omdat gemeenten nu het geld voor jeugdzorg krijgen en zich niet meer alleen willen richten op de 10% die problemen heeft. Tot slot gaat de discussie verder met een kans voor de JGZ als het gaat om pubers: doorlopende preventie en zorg van verpleegkundigen 0-19 (dus niet alleen 0-4). Dit kan bijvoorbeeld door gezondheidsbevorderaars bij GGD-en die Jeugd onder zich hebben, bij de afdeling JGZ te plaatsen.

Presentaties: