Home  > Kennis  > Dossiers  > Armoede in gezinnen  > Beleid > Rijksbeleid

De Gezinswijzer
Kennis over gezinnen en gezinsbeleid.



Hilde  Kalthoff Hilde Kalthoff is pedagoge en heeft jarenlang gewerkt met kinderen die met armoede te maken hadden.

Stel een vraag

Print Print pagina of dossier

Print deze pagina

Print het complete dossier

Of print een selectie
Nieuws
Achtergronden
Gezinsleven
Praktijk
Beleid
Onderzoek
Literatuur
Agenda
Links
Begrippen

Rijksbeleid

Armoedebestrijding kabinet Rutte

Het kabinet Rutte wil het aantal huishoudens waar geen van de volwassenen werkt terugbrengen. Het vergroten van arbeidsparticipatie draagt volgens het kabinet bij aan het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting. Het verlagen van de bijstand vergroot het verschil tussen bijstand en minimumloon en volgens het kabinet worden werklozen daardoor eerder geprikkeld om werk te zoeken.

Het kabinet vindt dat niet het Rijk maar de gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor armoedebestrijding. Zij kunnen het beste maatwerk bieden, gericht op economische zelfstandigheid. Het Rijk is alleen verantwoordelijk voor wet- en regelgeving en onderzoek op landelijk niveau.

Bezuinigingsmaatregelen

Het kabinet Rutte (SZW 2010) heeft de volgende bezuinigingsmaatregelen genomen:

  • geleidelijke verlaging van de bijstand;
  • beperking van voorzieningen voor mensen met een arbeidshandicap;
  • het gemeentelijk minimabeleid is genormeerd op maximaal 110 procent van het wettelijk minimum loon;
  • de eigen bijdrage 'Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten' en 'Wet maatschappelijke ondersteuning' gaan omhoog;
  • inburgering moet zelf worden betaald;
  • kleiner zorgpakket voor een hogere premie, verlaging van de zorgtoeslag, meer eigen bijdragen en vermindering van voorzieningen.

Ook is het kabinet van plan om de bijstand voor inwonenden af te schaffen. De toets op het partnerinkomen wordt dan vervangen door een toets op het huishoudinkomen. Het kabinet geeft aan dat de koopkracht van mensen met uitkeringen er meer op achteruit gaat dan de koopkracht van werkenden. Dit moet stimuleren om een baan aan te nemen.

Schuldhulpverlening

Het kabinet Balkenende heeft gemeentes voor de periode 2009-211 1 extra budget gegeven om de gevolgen van de crisis op te vangen. Het kabinet Rutte heeft een wetsvoorstel om de schulphulpverlening vanaf 2012 selectiever en gerichter aan te pakken (Tweede kamer, 2011, brief nr.196). Dit levert een bezuiniging op van 20 miljoen; er blijft nog 5 miljoen beschikbaar. De VNG steunt het wetsvoorstel dan ook niet (Nieuwsbrief 2011). Gemeenten willen zelf de afweging maken over wie wel en wie niet in aanmerking komt voor een schuldhulpverleningstraject. Ook zijn gemeenten het niet eens met het feit dat ze meer taken krijgen en wel moeten bezuinigen.

Verder wordt een SchuldPreventiewijzer ontwikkeld voor gemeenten en andere bij de schuldhulpverlening betrokken organisaties over hoe de schuldhulpverlening en preventie van schulden op een laagdrempelige manier ingericht kan worden (Tweede Kamer, 2011, brief nr. 196).

Geschiedenis armoedebeleid

Van een expliciet armoedebeleid is voor het eerst sprake in 1995 onder het kabinet Kok I (Berdowski en Stroeker 2006) Dat kabinet bestreed de armoede met inkomensbeleid en activering richting de arbeidsmarkt. Gesubsidieerde banen werden gezien als belangrijk instrument om meer mensen aan een betaalde baan te helpen.

In de periode tussen 2002 en 2005 staat armoede minder centraal in het regeringsbeleid en wordt er weer op armoedebeleid bezuinigd. Na invoering in 2004 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de bijstandsuitkeringen en het armoedebeleid. Gemeenten krijgen van het rijk een budget en moeten daarvan alle uitkeringen betalen. De hoogte van die uitkeringen is in 2004 en 2005 bevroren. Ook werd toen het budget voor de reïntegratie van uitkeringsontvangers verlaagd, daalde het aantal gesubsidieerde arbeidsplaatsen en werd er bezuinigd op aanvullende inkomensregelingen, zoals de huursubsidie.

In 2006 is een aantal maatregelen genomen om bepaalde groepen vooruit te helpen. Zo is de koppeling tussen lonen en uitkeringen hersteld en de bevriezing van lonen in de collectieve sector opgeheven. Gezinnen kregen voordelen doordat kinderen voortaan gratis worden meeverzekerd in het nieuwe zorgstelsel, het lesgeld voor jongeren van 16 en 17 jaar werd afgeschaft, de kinderopvang werd goedkoper en er werden enkele maatregelen in de belasting- en premiesfeer genomen.

Het kabinet Balkenende IV (2007-2010) richtte zich vooral op het bevorderen van betaald werk om uit de armoede te komen en het verbeteren van de toegankelijkheid van inkomensvoorzieningen. De mogelijkheden voor gemeenten om armoedebeleid te voeren, schuldhulpverlening en inkomensondersteuning te organiseren werden verruimd (NAP, 2008). het huidig kabinet bezuinigt op het budget daarvoor.

Wet maatschappelijke ondersteuning

Armoede wordt volgens Sluys en Wintels (2007), vertegenwoordigers van de interkerkelijke werkgroep Arme Kant van Nederland, meestal niet alleen gezien als een tekort aan financiële middelen, maar ook als een tekort aan deelname aan het sociale en maatschappelijke verkeer. Naast de materiële dimensie heeft armoede dus ook een sociale dimensie. Daarom is naast inkomenspolitiek ook het bevorderen van participatie van mensen in de samenleving van belang. De 'Wet maatschappelijke ondersteuning' (Wmo) zou daarom ook een rol kunnen spelen bij armoedebestrijding. De uitvoering hiervan ligt bij de gemeenten.

Bronnen

  • Berdowski, Z. en Stroeker, N. (2006). ‘Armoedebeleid in perspectief. Kwesties van meer en minder’, in: 'Basis', nummer 3, Zoetermeer: Panteia B.V.
  • Sluys, L, en Wintels, P. (2007). ‘Wet maatschappelijke ondersteuning en armoedebestrijding’. Den Haag: Tympaan Instituut.
  • SZW 2010, 'Vaststelling begroting ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2011', 32500 XV 16. Vastgesteld 29 november 2010.
  • Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 515, brief nr. 196, 17 januari 2011
  • VNG nieuwsbrief 10-01-2011, gebaseerd op VNG-ledenbrief 19 oktober 2010, hoofdstuk VIII.