
De Gezinswijzer
Kennis over gezinnen en gezinsbeleid.
Hilde Kalthoff is pedagoge en heeft jarenlang gewerkt met kinderen die met armoede te maken hadden.
Stel een vraag
|
|
Veel arme gezinnen hebben moeite om rond te komen, vooral als de armoede langdurig is. Huishoudens met een laag inkomen, kunnen gebruik maken van inkomensregelingen en via speciale websites berekenen op hoeveel inkomensondersteuning ze recht hebben. Meer hierover staat bij Inkomensvoorzieningen. Omdat er een samenhang is tussen armoede en het hebben van schulden, is hier ook een aparte pagina aan gewijd: Schulden.
In 2008 kwamen huishoudens met een laag inkomen gemiddeld 130 euro per maand tekort om boven de lage-inkomensgrens uit te komen (CBS 2009). Vooral gezinnen die langdurig van een minimuminkomen moeten rondkomen, hebben het vaak moeilijk. Als ze de dagelijkse uitgaven wel kunnen doen, gaat het vaak mis wanneer ze voor onverwacht grote uitgaven komen te staan omdat de koelkast of wasmachine het begeeft. Wie in zulke situaties schulden maakt, heeft daarna nog minder te besteden. Vertegenwoordigers van armoedegroepen en ervaringsdeskundigen vinden dan ook dat het sociaal minimum te laag is. Om van het budget te kunnen leven mag er niets misgaan, moeten uitgaven goed worden gepland en moet er op tijd geld worden gereserveerd. Dit lukt lang niet iedereen. Vooral huishoudens met kinderen komen dan maandelijks honderden euro’s tekort (Schrauwen 2009).
In een gezamenlijk onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek gaven huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in 2010 vaker betalingsachterstanden aan dan huishoudens met een hoger inkomen (2009: 17 procent tegen 4 procent) (Vrooman e.a. 2010). Ook gaven ze vaak aan zich bepaalde uitgaven niet te kunnen veroorloven. Zo rapporteerde ruim 11 procent onvoldoende geld te hebben voor een warme maaltijd met vlees, vis of kip om de dag. Bijna 40 procent had niet genoeg geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Ook gaf 37 procent aan (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen.
In 2008 gaven bijna twee op de drie eenoudergezinnen met een inkomen onder de beleidsmatige inkomensgrens aan moeilijk of zeer moeilijk rond te kunnen komen. Zie ook dossier Scheiding. Alleenstaanden kenden eveneens relatief vaak financiële problemen. Van de alleenstaanden onder de beleidsmatige inkomensgrens had 40 procent moeite met rondkomen tegenover 14 procent van de alleenstaanden met een hoger inkomen (CBS 2009).
Het aandeel vaste lasten over de jaren 2006 tot en met 2008 van huishoudens onder de lage-inkomensgrens en onder het beleidsmatig minimum was gemiddeld rond de 37 procent. Bij huishoudens met een inkomen boven deze armoedegrenzen lag dit aandeel een stuk lager, namelijk op 32 procent.
Het uitgavenpatroon van gezinnen met een laag inkomen verschilt sterk van dat van gezinnen met een hoger inkomen (Nederland e.a. 2007). Huishoudens met een laag inkomen geven naar verhouding veel geld uit aan huisvesting. In 2008 vormden de woonlasten voor drie op de tien huishoudens met een inkomen onder de beleidsmatige grens een zware last (CBS 2009).
Het Nibud (2009) stelt dat ruim een derde van de ouders het moeilijk vindt om rond te komen. De meeste ouders, 56 procent, zijn na de geboorte van het kind meer gaan uitgeven, vooral voor energie, kleding en uitstapjes. Vooral vrouwen besluiten minder te gaan werken en gaan van gemiddeld 23 uur naar ruim 15 uur per week, terwijl mannen van 39 naar 37 uur teruggaan.
Bijna de helft van de gezinnen heeft een lager inkomen na de geboorte van het kind. Bij ruim een kwart is het inkomen gelijk gebleven en 14 procent van de gezinnen is erop vooruit gegaan. De overige 14 procent weet het niet. Voor meer informatie zie Inkomsten en uitgaven in het dossier Geboorte.
Echtscheiding verhoogt de kans op armoede. In 16 procent van de gevallen zakt het inkomen na een scheiding tot onder de armoedegrens, terwijl van de stabiele echtparen in een jaar maar twee procent arm wordt. De negatieve gevolgen zijn vooral voor vrouwen en kinderen (Bouman 2004). Voor meer informatie zie Financiële gevolgen in het dossier Scheiding.
Werk wordt gezien als de remedie om uit armoede te blijven of te raken. Toch gaat dat lang niet altijd op. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek leefden in 2009 in Nederland bijna 700 duizend personen van 18 tot 65 jaar in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens (Janssen en Bos 2011). Meer dan de helft (370.000) had betaald werk. Door een laag loon of geringe inkomsten uit eigen bedrijf lag hun inkomen echter zo laag dat ze onder de armoedegrens leefden. Het gaat hierbij vaak om uitzendkrachten en werknemers met een flexibel arbeidscontract. Daarnaast is een derde deel van de 'werkende armen' zelfstandig werkzaam.
Veel 'werkende armen' zijn jonger dan 45 jaar. Ze zijn verhoudingsgewijs vaker allochtoon, lager opgeleid en alleenstaand. Bij werknemers zijn de vrouwen duidelijk oververtegenwoordigd in de groep met kans op armoede, en vooral alleenstaande moeders. Bij zelfstandigen speelt geslacht geen rol. Verder werken relatief veel 'werkende armen' als werknemer of zelfstandige in de handel en horeca (Janssen en Bos 2011). Werknemers die beneden de lage-inkomensgrens leven, willen vaker dan andere werknemers graag meer uren per week werken. Dat zou hun inkomenspositie in elk geval verbeteren en hun kans op armoede kunnen verkleinen.