9 februari 2009
Carline Carati van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin - Directie Jeugdzorg – verzorgde een inleiding over de recente ontwikkelingen in het landelijk beleid van de aanpak van kindermishandeling. Stan van Haaren, implementatieadviseur voor de regionale aanpak kindermishandeling bij het Nederlands Jeugdinstituut sloot daarop aan met uitleg over de RAAK-aanpak en de regionale implementatie.
Het tweede onderdeel van deze bijeenkomst zoemde in op het implementatietraject van de richtlijn 'Secundaire preventie kindermishandeling'. Mascha Kamphuis van TNO vertelde over de totstandkoming en inhoud van de richtlijn. Klaas Kooijman van het Nederlands Jeugdinstituut legde uit hoe de implementatie wordt aangepakt en besprak de knelpunten in de richtlijn en de implementatie. Saskia Luijer van de GGD Gooi & Vechtstreek en Janny Pastink van het Kruiswerk West-Veluwe vertelden tot slot over de ervaringen met deze nieuwe richtlijn in hun JGZ-organisaties.
De presentaties:
(Stan van Haaren)
(Mascha Kamphuis)
(Klaas Kooijman)18 mei 2009
Joke van Wieringen, adviseur bij het RIVM Centrum Jeugdgezondheid die samen met Djoeke van Dale van het RIVM/Centrum Gezond Leven het secretariaat van deelcommissie 2 van de landelijke Erkenningcommissie Jeugdinterventies legde een aantal stellingen voor over criteria waarmee de deelcommissie probeert te komen tot een pool van goede interventies. De meeste deelnemers waren het oneens met de stellingen als: Ik werk altijd met effectieve methoden/interventies; Een effect op korte termijn is belangrijker dan een meer blijvend effect in verandering van gedrag op langere termijn en: Ik heb liever dat er één bewezen effectieve interventie beschikbaar is dan dat ik uit tien interventies kan kiezen waarvan de effectiviteit onbekend is . Met de stelling ' Een goede interventie heeft op zijn minst een procesevaluatie' was bijna iedereen het eens. Djoeke van Dale concludeerde aan het eind van de stellingendiscussie dat kwaliteit nodig is op alle niveaus: die van de organisatie, de interventies én professionals en vertelde vervolgens verder over het erkenningssysteem. Hierna werd in kleine groepen gediscussieerd over wat men goede interventies vindt, hoe men die selecteert en in hoeverre deze overeenkomen met de beoordelingscriteria van de commissie. De uitkomsten werden centraal besproken en werden door Joke en Djoeke meegenomen naar de deelcommissie.
De presentaties:
(Joke van Wieringen )
(Djoeke van Dale)14 september 2009
Henk Dries van het Kenniscentrum Jeugd & Opvoeding van het Nederlands Jeugdinstituut gaf een schets van ontwikkelingen en trends in het denken over opvoeden in Nederland. Kernboodschap was om bij het ontwikkelen van een pedagogische visie eerst even afstand te nemen, te kijken waarom je waartoe mee bezig bent en welke uitgangspunten en trends je wilt volgen in het werken met ouders en kinderen. Bert Prinsen van het Nederlands Jeugdinstituut leidde vervolgens een discussie over de kernelementen voor een pedagogische visie van de JGZ. De discussie ging voornamelijk over lastige vragen bij het ontwikkelen van een visie: moet het een brede of smalle visie zijn, maak je onderscheid tussen een visie op opvoedingsondersteuning en een visie op opvoeden, gaat het over nu of ook over straks (CJG) en hoe begin je aan een visie als al voor interventies is gekozen? Tot slot gingen de deelnemers in groepjes uiteen om op 1 A4 te formuleren wat ze een schrijfgroep van deelnemers mee wilden geven voor het formuleren van een pedagogische visie van de JGZ. Op de volgende bijeenkomst wordt het resultaat van deze schrijfgroep uitgedeeld.
De presentatie: Trends in het denken over opvoeden
(Henk Dries)
30 november 2009
Marga Beckers van het RIVM Centrum Jeugdgezondheid legde uit hoe de richtlijncyclus eruitziet en deelde een schema uit met een overzicht van de voortgang van alle JGZ richtlijnen in ontwikkeling. Margot Fleuren, senior onderzoeker implementatie bij TNO en Esther Coenen, jeugdarts en richtlijnontwikkelaar bij TNO bespraken vervolgens achtergronden van implementatie.
Vragen en opmerkingen over knelpunten bij implementatie van deelnemers waren onder meer:
Tot slot formuleerden de deelnemers basale vragen die je aan gebruikers kunt stellen om de implementatie te bevorderen, zoals:
Eindconclusie van de voorzitter Bert Prinsen was dat we bij lastige vraagstukken niet alleen naar de bestuurders kunnen kijken. Het is ook belangrijk om als JGZ zelf keuzes te maken in waar we voor staan en wat we wel en niet doen. Als we de richtlijnen belangrijk vinden, moeten we pal staan voor de implementatie.
De presentaties:
(Marga Beckers)
(Margot Fleuren en Esther Coenen)